
Wat passanten hebben overgebracht.
'Dat wat overgebleven is van mijn zwaard voelt aan als versteend,' zei de man die in deze kleren wel keizer moet zijn.
'Gebroken is hij, mijn vriend, kameraad en licht. Oh vergezicht, kom dichterbij en vertel me mijn toekomst. Ik die hier op rotsen sta te beven. Niet uit angst - natuurlijk niet-, maar uit ingehouden woede over mijn lot.
Wat heb ik misdaan om hier afwachtend te staan lijden? Ik knijp het handvest steviger vast om aan te tonen dat het mij menens is. Laat mij overwinnen en ik zal mij een waardig leider tonen voor het volk. Ik zal hemel en aarde bij elkaar brengen. Alles, ja alles heb ik er voor over.'
En vanuit het niets kwam er een stem die in principe niets zei.
'Oh jij die hier op mij staat. Hoe durf je mij iets te vragen. Laat mij ver liggen waar ik lig, zodat ik me niet hoef te bemoeien met trivialiteiten. Want het antwoord wat ik eventueel voor jouw in petto heb is waarschijnlijk niet het antwoord wat je horen wilt.'
'Laat het mij horen en ik ben u voor altijd dank verschuldigd,' zei de man met een vertwijfelde blik.
'Goed dan, het zij zo,' zei de stem. 'Het antwoord ligt voor je.'
'Ik begrijp het niet.'
'Het is simpel. Je weet wel dat er een menselijke uitdrukking is, die zegt dat de wereld aan je voeten ligt?'
'Natuurlijk,' antwoordde de man, 'wie kent het niet?'
'Wel, dit geldt niet voor jou.'
En het laatste wat de stem uitbracht was:
'De toekomst van het volk zal het meest gediend zijn, als je jouw toekomst een paar passen naar voren toe verlegt.'
Jan G. Marque ©
|
|